Plamuur
- Ralf Kolleppel
- 2 nov 2022
- 2 minuten om te lezen

‘Hé, kijk uit!’ hoor ik ineens naast me.
‘Wat, waar?’ reageer ik. ‘Die bezem boven je hoofd stommeling.’ Zonder op of om te kijken ren ik de spin achterna. Zelf ben ik nog maar nauwelijks gewend aan de acht poten onder mijn lijf.
Het is pas sinds vanmorgen dat ik een spin ben; zo werd ik ineens wakker. ‘Snel hierin’, roept de spin.
We verdwijnen in een gaatje in de muur. Gelukkig heb ik dat, als mens, nog niet dicht geplamuurd. Al heeft mijn vrouw me er wel honderd keer aan herinnerd. Er blijkt een hele wereld schuil te gaan hier in die muur.
‘We hebben een gast’, zegt de spin. Talloze spinnenogen kijken ons aan. Glinsterend als sterren aan een heldere, donkerblauwe hemel.
‘Hoe heet je eigenlijk’, vraagt hij.
‘Edwa… uuh, Edelbrecht verbeter ik mezelf snel. Mijn echte naam kan ik beter niet noemen hier, aangezien ik hun halve familie door het toilet gespoeld heb, opgerold in een prop wc-papier.
Op de rand van de ingang zit ik mijn keuken te bekijken. Ons ‘knusse keukentje’ lijkt vanaf hier ineens de Grand Canyon.
‘Eet je mee?’ vraagt de spin. Voordat ik me kan omdraaien om op zijn uitnodiging in te gaan zie ik een schaduw op me afkomen, gevolgd door een gevaarte dat met de snelheid van een komeet op me afkomt. Aan de enorme trouwring herken ik de hand van mijn vrouw.
‘Nou Edward, ik weet niet waar je uithangt’, mompelt ze. ‘Maar als jij het niet doet, dan doe ik het maar weer.’
Als een totale zonsverduistering verdwijnt het licht bij de ingang van het spinnenhuis, wanneer het plamuurmes tevoorschijn komt.
Nog net op tijd kan ik de hoek om. Langs de muur kruip omlaag, over de keukenvloer en zo langs de tafelpoot omhoog.
Daar ver beneden bevindt zich nu een hele spinnenfamilie, ingemetseld in de muur.
Opmerkingen