autoliefde
- Ralf Kolleppel
- 13 aug 2021
- 2 minuten om te lezen

‘Ik zal ‘m toch wel missen hoor, die ouwe roestbak’, zei Ann, terwijl ze vanuit de keuken de woonkamer inliep.
‘Hoezo missen. Hij is er toch nog?’ ‘Nou ja Henri, hoe vaak heb je nu al geprobeerd om dat ding te repareren?’
‘Je staat ‘m slechts elke dag uitgebreid te poetsen, dat is alles.’
‘Wat me sowieso een raadsel is. Waarom poets je een auto die niet gebruikt wordt?’
‘Nou, die klote vogels schijten haar helemaal onder.’ ‘Oh, het is een haar’, zij Ann. Terwijl ze weer terug de keuken inliep.
‘Nou, Henri, riep ze. Ik denk dat het tijd wordt dat we haar maar eens moeten laten ophalen door de sloper’.
‘Sloper!?’
Henri sprong op uit zijn fauteuil. ‘En dat heb jij zo even in je eentje besloten?’
‘Ik ga jou toch ook niet van de een op de andere dag wegdoen’ mompelde Henri.
‘Het is een auto, Henri, een auto, een vervoersmiddel.’
Ben je mij nu echt met een auto aan het vergelijken, hoor ik dat nu goed?’. ‘Nee nee, natuurlijk niet.’ ‘Jij bent geen auto, maar…’.
‘Luister’, zei Ann. ‘Ik snap heus wel dat er herinnering aan die auto zitten, die heb ik ook.’
‘Ja, dat is het’, zei Henri, terwijl hij zijn vinger ophief en weer in zijn fauteuil zakte, met de focus van iemand die pen en papier zoekt om een geweldige ingeving op te schrijven, voor het verdwijnt.
‘Herinneringen, daarom wil ik die auto niet kwijt.’
‘Weet je nog, Ann, die eerste keer op de achterbank, we kenden elkaar toen pas een week hè?’ begon Henri. ‘Tja, wat vliegt de tijd he’, zuchtte zij. ‘Dat leer voelde zo lekker ruw’, zei Henri zacht. Hij sloot even zijn ogen om de denkbeeldige geur ervan op te snuiven. ‘En toen jij me op de motorkap tilde, op vakantie in Frankrijk’, zei Ann, starend naar buiten, alsof het verleden zich daar afspeelde.
‘Ik had toen die gebloemde jurk aan en jij een blauwe geruite blouse. Wat was je toch een cowboy toen.’ Die gladde, glimmende, keiharde motorkap, die moet nodig weer eens ingesopt worden, dacht Henri, terwijl hij met zijn hand zijn bovenbeen streelde. ‘Toen zat dat deukje nog niet in de motorkap’, waren zijn volgende woorden richting zijn vrouw. ‘Welk deukje’, vroeg Ann, plotseling gewekt uit haar droom van het verleden.
‘Maar goed, hij moet toch weg!’ zei ze.
‘Een auto waarin niet gereden kan worden is zonde van het geld.’
Hoe kon ze zo harteloos zijn, dacht Henri. Zonder woorden te delen sprong hij op en liep naar buiten, deed het portier van de auto open en ging zitten. Hij pakte het stuur nog eenmaal goed en stevig vast en liet zich in de stoel zakken. Vervolgens gleden zijn handen over de leren bekleding, terwijl hij een diepe zucht slaakte. Deze tinteling in zijn lichaam had hij bij zijn vrouw nog nooit gevoeld.
Opmerkingen