De kunst van het geven
- Ralf Kolleppel
- 9 mei 2018
- 4 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 12 aug 2021

Geven voelt goed. Van geven word je gelukkig. Dat heb ik niet alleen regelmatig gehoord en gelezen, maar ook ervaren. Geven kan natuurlijk in materialistische vorm, maar ook door een luisterend oor te bieden of iemand ergens mee te helpen. Toch is geven nog niet zo makkelijk als het lijkt. Het is spitsuur. Een man, gehuld in oude kleren en een gelaat dat veel hopeloosheid uitstraalt, loopt heen en weer op het station. Te midden van alle mensen die zich te goed doen aan vette snacks van de frituur of de kebabzaak, een kopje koffie of thee bij de Starbucks, of een snelle hap van de AH-to go voordat ze de trein moeten halen, is hier zijn thuis. Meerdere malen maakt hij hetzelfde rondje.
Een beetje kleingeld geven aan een dakloze heb ik in het verleden wel eens een enkele keer gedaan. Vooral op momenten dat er net iets gebeurd was dat een euforie bij me had aangewakkerd. Op zulke momenten wilde ik het goede gevoel dat ik had delen. Dat waren ook de momenten waarop ik rondjes gaf tijdens het uitgaan of mezelf trakteerde op iets lekkers. Maar emoties zijn niet altijd een goede richtlijn als het gaat om keuzes maken. Zeker niet als het financiĆ«le keuzes betreft. Tegenwoordig heb ik gelukkig meer grip op mijn emoties en speelt de ratio ook een voorname rol bij het maken van keuzes, zonder het gevoel uit het oog te verliezen. Kritische vragen komen bij me op tijdens situaties zoals deze waar ik nu in beland ben; de dakloze man kijkt me aan en vraagt of ik wat kleingeld voor hem heb. Alle overtuiging lijkt uit zijn stem te zijn verdwenen. En niet alleen uit zijn stem, maar uit zijn hele zijn. Niks in hem lijkt erop te wijzen dat er nog enige hoop in hem aanwezig is. De vraag wat hij met het geld zou gaan doen, is een die ik mezelf stel. Zwervers zeggen vaak dat ze er eten van willen kopen of er een slaapplaats van willen betalen. Maar wanneer hij zichzelf voorziet in zijn dagelijkse portie verdovende middelen help ik hem juist de vernieling in met mijn goede daad. Een dilemma is geboren. Het idee om hem een broodje te kopen komt in mij op. āKun je ook wat drinken voor me kopenā, vraagt hij vervolgens, haast emotieloos, nadat ik hem het broodje heb overhandigd. āNeeā, is mijn antwoord. Ik voel een lichte vorm van frustratie. Waarschijnlijk omdat ik een dankwoord mis. Wanneer ik de trap oploop naar het perron, waar mijn trein binnen enkele minuten zal arriveren, zie ik hem beneden nog worstelen met de verpakking. Eenmaal open, staat hij daar tussen alle gehaaste mensen rustig zijn broodje te eten. Hoe zou ik van die man, die helemaal niets heeft, kunnen verwachten dat hij dankbaar is, denk ik op dat moment bij mezelf. Zouden al die mensen hier, die allemaal meer hebben dan die dakloze man, wĆ©l dankbaar zijn voor wat ze hebben? En hoe dankbaar ben ik zelf eigenlijk? Een tijdje lukte het me om voor het slapengaan even stil te staan bij de dingen waarvoor ik dankbaar ben. Door dit te doen merkte ik ook steeds vaker dat ik door de dag heen spontaan een gevoel van dankbaarheid ervoer. Nu ik dit schrijf moet ik eerlijk bekennen dat ik dit avondritueel een beetje heb laten varen. Het valt niet mee om elke dag stil te staan bij dat waar je dankbaar voor bent. En dan heb Ćk genoeg dingen waarvoor ik dankbaar kan zijn. Waarschijnlijk veel meer dan een dakloze man van rond de vijftig die zijn kleingeld dagelijks op straat bij elkaar moet zien te sprokkelen. Toch heeft ook zo iemand dingen waar hij dankbaar voor kan zijn, daar ben ik van overtuigd. Deze zwerver had bijvoorbeeld twee werkende handen, een paar benen die functioneerde, en hij kreeg een gratis broodje van mij. Maar als ik zelf ervaar hoe lastig het kan zijn om Ć©cht dankbaar te zijn, hoe kan ik het dan van die arme man verwachten. Hij heeft waarschijnlijk maar een ding aan zijn hoofd en dat is overleven. De dorst die hij had, heb ik misschien nog nooit gevoeld. Ik gaf hem een broodje met kaas. Zelf zou ik ook dorst krijgen na een broodje met kaas. En wat als je honger hebt, maar weet dat je na die zoute kaas geen drinken kan betalen om de dorst te lessen die je krijgt door het eten van een zout product zoals kaas? Als ik het zo bekijk lijkt mijn actie zelf een sadistisch randje te hebben. Ik wilde aardig zijn, maar maakte de fout te denken te weten wat de man nodig had. Wie zegt dat een broodje met kaas datgene was dat hij op dat moment nodig had? Misschien was zijn dorst wel groter dan zijn honger. De kans is immers groot dat zo iemand niet de dagelijkse hoeveelheid water binnenkrijgt die een mens nodig heeft. De intentie om een ander te helpen is een ding, maar weten wat de ander nodig heeft en waar de ander Ć©cht mee geholpen is, is iets heel anders. Misschien dat ik de volgende keer beter kan onderzoeken wat iemand nodig heeft. Zonder natuurlijk direct iemand op zijn wenken te bedienen. En zonder te vergeten dat elk mens zijn of haar verantwoordelijkheid heeft over de keuzes die hij of zij maakt in het leven. Geven is een kunst, realiseer ik me. En in die kunst valt nog een hoop te leren.
Opmerkingen